4 minuten met Toine Heijmans [fr]

Interview met Toine Heijmans, journalist (Volkskrant) en schrijver. Prix Médicis étranger 2013 voor zijn boek "Op zee" (literatuurprijs voor buitenlandse romans) (9 januari 2014, Amsterdam)

Klein Literair Café over het boek "Op zee"

Het is een groot plezier om uw boek te lezen. Het verhaal is goed opgebouwd, met vele verrassende wendingen tijdens deze overtocht van een vader en zijn 7-jarige dochter tussen Denemarken en Harlingen: de verdwijning van de kleine Maria aan het einde van het vijfde hoofdstuk (Ze is er niet); de verrassing in hoofdstuk 22 (Ze klimt de kajuit uit), en uiteindelijk, zonder het leesplezier te willen bederven van toekomstige lezers, de verrassing in hoofdstuk 24. Zit daar een diepere betekenis achter? Bijvoorbeeld de keuze van de voornamen Ismaël, Hagar et Maria? In het geval van Ismaël verwijst u naar Moby Dick maar in het Oude testament (Genesis) is Ismaël de zoon van Hagar en is hij verbannen naar de woestijn. Is de zee, net als de woestijn, een plek waar fata morgana’s et hallucinaties makkelijk kunnen ontstaan?

Bepaalde namen en begrippen heb ik inderdaad met opzet gebruikt. De naam Ismaël is vooral een verwijzing naar een van de mooiste boeken die ooit over het varen en de zee zijn geschreven, mij lievelingsboek: Moby Dick van Herman Melville. De hoofdpersoon van Moby Dick heet Ismaël; mijn eigen boot is zelfs naar de eerste zin van het boek vernoemd: Call me Ishmael (Noem mij Ismaël). Daarnaast is er inderdaad een (klein) verband met het verhaal van Hagar en Ismaël: de verbanning naar de woestijn en het overleven van de tocht daar doorheen. Het oorspronkelijke idee voor Op Zee ontstond tijdens een wandeltocht die ik samen met mijn dochter ondernam in de Sahara, in Marokko. Ik zag mijn dochter telkens verdwijnen achter de top van een zandduin. Dat moment, de angst om haar te verliezen, wilde ik beschrijven. Er zijn meer verwijzingen: de naam van de hoofdpersoon, Donald, verwijst naar Donald Crowhurst, een Britse solozeiler die gek werd op de oceaan en verdween. De motto’s in mijn boek zijn van hem (de laatste zin van zijn logboek) en van zijn zoon Simon.

Wat moeten we vinden van de verteller, de ik-persoon die in de eerste 23 hoofdstukken aan het woord is? En die zijn status van betrouwbare verteller verliest vanaf het 22ste hoofdstuk? Is hij een dromer, een vader die graag een goede band wil opbouwen met zijn dochter (p. 25 : Het is onmogelijk als vader te begrijpen hoeveel een moeder hecht aan haar dochter. Moeders denken anders als vaders als het om kinderen gaat) een veertiger middenin een midlifecrisis (geen promotie, zwaarmoedig cf p.45 misschien word je er vrolijker van) die zelf erkent dat hij de controle over zijn leven is kwijtgeraakt (p.46 : de rest van mijn leven raakte uit zicht)?

Donald is een man die de leeftijd heeft bereikt waarop hij zich gaat bedenken wat hij heeft bereikt, en wat er nog te bereiken valt. Hij heeft een kantoorbaan, een mooie vrouw en een kind en denkt: Is dit alles? Hij wil breken met de sleur van het dagelijks leven, en besluit daarom een zeiltocht rond Groot-Brittannië te beginnen. Hij wil niet langer onderdeel zijn van het systeem. En hij wil zijn dochter leren dat, zoals hij zegt, je als mens de vrijheid moet verkiezen: hij wil haar leren dat ze niet als een marionet moet leven. Ik denk dat hij bij aanvang van de reis al een beetje overspannen is, en dat hij door de eenzaamheid aan boord steeds meer letterlijk wegdrijft van de wereld en van zichzelf. Dat is een bekend gegeven bij solozeilers, maar ook bij solo-bergbeklimmers bijvoorbeeld. De slapeloze nachten, de monotone cadans van de golven kunnen een mens uit balans brengen. En dat is precies wat er met hem gebeurt. Het is iets wat veel mannen overkomt of kan overkomen. Ik vind Donald zelf een sympathieke, maar wat slordige figuur, ook een beetje egocentrisch. Maar wel een die voor zichzelf kiest – er zijn genoeg mannen die ondanks hun bedenkingen, niet durven uit de sleur te breken.

Na het lezen van het boek bekruipt je het gevoel dat u speelt met de lezer : de vergelijking van de wolken (De wolken had ik niet gezien) met de mobiel boven het babybed van de kleine Maria (een gigantisch mobiel van wolken zoals er vroeger ook een hing boven haar babybed) in de eerste zin, de aandacht voor het uiterlijk van Maria (ze moet eruit zien alsof haar niets is overkomen p.27) en de verwijzing naar offerplaatsen (offerplaatsen p.41) geven een gevoel van onbehagen, angst, een Hitchcockiaanse spanning die niet meer verdwijnt tot aan pagina 175 (in een boek van 192 bladzijdes!). Dat maakt ongetwijfeld deel uit van de schrijftechniek van een thrillerauteur, maar moeten we er ook niet een zekere ironie van uw kant achter zoeken?

Ironie is denk ik niet het goede woord. Ik heb wel met alle macht geprobeerd de lezer uit balans te brengen, verkeerde of juiste aanwijzingen te geven, vooruitwijzingen en flashbacks, met als doel de lezer in het hoofd van Donald te krijgen. De lezer moet zich af en toe voelen zoals de hoofdpersoon, dat is de kracht van literatuur. Ik gebruik korte zinnen en het verhaal is niet lang, maar dat is schijn: de compositie is voor mij het belangrijkste middel geweest om een sfeer te scheppen die beklemmend is en verbazingwekkend tegelijk, en inderdaad Hitchkockiaans. Ik denk dat literatuur ook spannend en verhalend kan zijn, en juist op die manier onderwerpen aan de orde stelt en vragen oproept. Ik hoop dat het boek de lezer achter laat met nieuwe vragen, en niet alleen met het gevoel een spannend verhaal te hebben gelezen.

gepubliceerd op 28/07/2015

naar boven